De Laatste Werkvakantie

Maart 2016.

Jay liep als een spook uit mijn verleden door de gang van het Amersfoortse kantoorgebouw van Anglocamp. Hij haastte zich van het trappenhuis naar de afdeling. Onderwijl hield hij zijn ogen in de linkerhoeken, zijn hoofd een tikkeltje gedraaid, zodat hij mijn lichaamsbewegingen in de gaten kon houden. Hij moest me hebben herkend, toen hij uit het trappenhuis kwam terwijl ik op de gang uit het raam stond te staren. Daarna had ik de deur zachtjes horen dichtvallen, achter me een beweging gedetecteerd en me omgedraaid. Jay was nog maar een seconde van zijn afdelingsdeur verwijderd, zo snel liep hij.

En hij wist dat ik vandaag in zijn kantoorgebouw aanwezig zou zijn.

In de zomer van 2002 werkten we allebei voor Anglocamp op een megacamping genaamd Lanternacamp in Porec, Kroatië. We werkten vijf maanden lang in hetzelfde team, woonden naast elkaar, gingen met een vast cluppie naar de bar. Hij was notabene degene die me aan het roken had gebracht.

Na die zomer hebben we elkaar nooit meer gezien. Ik had hem nog één keer gebeld, per ongeluk, in beschonken toestand – ik had eigenlijk de naam onder de zijne in het telefoonboek moeten hebben. Hij zei slaperig dat hij in 2003 opnieuw voor Anglocamp naar Kroatië ging. Dit keer als teamleider. Dat was het hele gesprek, erg kort, gevoerd uit beleefdheid. Het was het laatste contact geweest. Daarna kreeg ik een nieuwe telefoon en heb ik zijn naam en telefoonnummer niet overgezet.

In 2002 werkte ik weliswaar met veel plezier voor Anglocamp, maar ik keerde, in tegenstelling tot Jay, niet terug. In de kampeerwereld had Anglocamp vele concurrenten en toen ik vier jaar later weer als campingmedewerker aan de slag ging, was het voor concurrent Familycamp. Bij hen hoefde je niet schoon te maken; dat deden de gasten onder dwang van een borgsom. Verder had ik allerlei andere avonturen op mijn checklist staan. Nieuwe werkvakanties. Backpacken op het oosters halfrond. Reisboekjes schrijven.

 

* * *

Begin februari 2016 was ik in Nederland teruggekeerd. In 2011 was ik voor twee jaar naar Australië vertrokken; in 2013 voor twee jaar naar Canada. Al mijn spaargeld was in mijn laatste wapenfeit gaan zitten: per openbaar vervoer van de ijsberen naar de pinguïns, dwars door de Amerika’s. Nu was ik blut en routineus weer bij mijn ouders ingetrokken. Dat had ik altijd zo gedaan na een verblijf in het buitenland: terug naar pa en ma en met een onbenullig baantje geld verdienen voor de volgende reis.  

Maar dit keer was het anders.

Iedereen van mijn vriendengroep had zich inmiddels op hypotheek, huwelijk en nageslacht gestort. De allerschattigste babyfoto’s verrijkten Facebook. Juist op een moment dat het al deze jonge dertigers voor de wind ging, zat ik semi-dakloos thuis bij pa en ma en kon niet eens spontaan een biertje bestellen. Ik had geen alternatief. Mijn lijst met avonturen was afgevinkt. Ik was een 34-jarige zonder nieuwe plannen. Anderen werden gevoed door de waan van alledag: het kindje, de partner, het onderhoud aan huis en auto; de baan die dit alles moest bekostigen. Dat verschil – mijn gebrek aan geld, eigen onderdak, ambitie, een plan – ervaarde ik als iets minderwaardigs, schaamtevols. Het is niet voor niets een primaire levensbehoefte van de mens om zich nuttig te voelen. Maar wanneer ik dit aan iemand probeerde uit te leggen, was de algemene reactie meestal: “Wat een onzin! Het is toch logisch dat je blut bent na zo’n lange reis?”

Toen ik vertrok uit Canada, uit het stadje Banff, had ik tegen iedereen gezegd: “Dit is mijn laatste baan geweest. Hierna ga ik mijn geld verdienen met boeken.” Dat was de reden geweest voor die reis door de Amerika’s: het verzamelen van boekmateriaal. Een spaarrekeningsaldo later ging ik echter op m’n bek en moest ik op die woorden terugkomen. Misschien dat dit ook meespeelde bij het gevoel dat ik nu ervaarde.

Ik had geen geld of plan, maar wel een nooduitgang: de kampeerwereld. Dat wereldje dat onderdak, werk en een salaris bood. De afgelopen 17 jaar had ik op die manier geleefd, dus waarom zou ik het niet nog een laatste keer doen? Dat de motivatie dit keer volslagen absurd was, besefte ik heimelijk wel, maar ik deed het af als een tijdelijke oplossing, een brug naar het volgende levenshoofdstuk – wat dat ook mocht zijn.

De afweging was Anglocamp of Familycamp. Ik verkoos Anglocamp en werd al snel uitgenodigd voor de sollicitatieprocedure op kantoor in Amersfoort.

In de aanloop daarnaartoe werd ik benieuwd naar de whereabouts van mijn toenmalige collega’s. Zo kwam ik erachter dat Jay nooit afscheid had genomen van Anglocamp: hij was na zijn zomers op Zuid-Europese campings op het kantoor in Amersfoort als websitemenneke gaan werken. Het leek me leuk om hem weer eens te begroeten.

 

* * *

Het hele sollicitatieproces – er waren meer kandidaten – begon om 11.30 uur en zou ongeveer anderhalf uur in beslag nemen. Even voor dat tijdstip arriveerde ik bij Anglocamp in Amersfoort. Het kantoor leek klein en ik had al snel gezien – mits er ook op andere etages ruimten werden gehuurd – dat Jay niet aanwezig was. Het één-op-één gesprek ging in mijn geval vooral over de vraag: waarom wil je in godsnaam terugkomen? Ik legde uit dat ik net uit Canada was teruggekomen en simpelweg een heel seizoen beschikbaar was voor een nieuw buitenlandavontuur.

De meeste kandidaten verlieten tussen 12.30 en 13.00 uur het kantoor met een arbeidscontract op zak. Ik was de laatste. Terwijl ik op de gang wachtte tot het contract was opgesteld, doodde ik de tijd door via het raam naar beneden te staren. Zodoende stond ik met mijn rug half naar het etagekantoor van Anglocamp gedraaid. Op een gegeven moment hoorde ik de deur van het trappenhuis dichtvallen. Ik draaide me om en zag Jay gehaast over de gang lopen, richting het kantoor van onze werkgever. Hij had zijn jas aan en spullen bij zich; hij stond op het punt om zijn werkdag te beginnen op het moment dat de kandidaten weg zouden zijn en mijn kandidatuur en zijn baan elkaar niet konden beïnvloeden.

Dat kon niet anders. Hij moest me herkend hebben, zoals ik hem direct herkende. Ik had op nog geen zeven meter afstand pontificaal in zijn zicht gestaan. Ik had in mijn sollicitatiebrief aangegeven dat ik in 2002 met veel plezier voor Anglocamp in Kroatië had gewerkt. De link met Jay moet snel zijn gelegd. Ik vermoedde fronsende wenkbrauwen en een beraadslaging: iemand had gesuggereerd dat het wijzer zou zijn om beide campsite couriers van Lanternacamp 2002 niet met elkaar in contact te brengen. Maar in de praktijk pakte de timing ongunstig uit en liep Jay als een spook naar het kantoor in de hoop niet te zijn gezien.

Ik had deze rare gang van zaken moeten opvatten als een voorteken.

 

* * *

De Brit liep met een grijns om zijn vrachtbusje heen. “Ik ken jou.”

We stonden met de regiomanager en een paar andere campingmedewerkers voor de poort van een enorme camping in het noorden van Italië, Campeggio Caorle. We waren zojuist opgehaald van het Venetiaanse vliegveld.

Ik knikte. “Ja, maar dat is een decennium geleden.”

“Hoe heet je ook alweer?”

“Jerry.”

We schudden handen.

“John.”

Hij werkte nu als restaurateur van stacaravans en zou op maandag naar Spanje vliegen om aldaar voor een ander bedrijf aan de slag te gaan als campingmedewerker. Ik kon me zijn gezicht vaagjes herinneren. Hij was één van die gezellige jongens die aanwezig zijn in de campingbar, maar verder niet veel indruk maken. Ooit had dat luchtige, dat oppervlakkige, me aangetrokken tot de kampeerwereld.

Ik deelde een stacaravan met David, een jongen uit Amsterdam-Zuidoost. De rest van het jaar  werkte hij daar als personal trainer. Ik zei dat ik ook ooit naar die loopbaan had gekeken; hij moedigde me aan om het te gaan doen. Maar toen hij zei dat hij boodschappen ging doen, vroeg ik aan hem of hij een pakje sigaretten voor me wilde meenemen. Ik had (weer eens) willen stoppen, maar in de wereld der campingmedewerkers was het zo moeilijk om een niet-roker te vinden dat het leven aangenamer was als je lekker doorstoomde.

Onze stacaravan was niet schoongemaakt, maar het zag er niet al te slecht uit. Ik maakte mijn bed op en pakte uit. Tot mijn verrassing hing er al een rol toiletpapier aan de houder in de badkamer. David had dus al ervaring met het kampeerwereldje – en inderdaad: later zei hij dat dit zijn tweede seizoen was.

Ik liep naar de rand van de camping, direct aan het strand, en keek over het hek. Daar had je de Adriatische Zee – turkoois, kleine aanrollende golfjes, twee mannen visten op de rotsen van de golfbreker. Er mocht nog niemand de camping op en dus kon ik er ook niet af zonder over het hek te klimmen. Ik was er echter al zo vaak uitgelopen, toen ik hier in 2006 een vol seizoen voor Familycamp werkte, dat er tien jaar later geen reden was om me opgesloten te voelen. Nog even en het zou allemaal weer beginnen.

 

* * *

De groep medewerkers bestond uit bijna twintig man, voornamelijk Britten. We hadden gisterochtend een lijst met schoonmaakspullen gekregen die we in de opslagtent bij elkaar moesten sprokkelen en in onze persoonlijke schoonmaakemmers deponeren. Daarna had de dag bestaan uit schoonmaakinstructies.

Vandaag, op dag 2, gingen we voor het echie.

We moesten op rij gaan staan met onze schoonmaakemmers voor onze voeten. Onze nieuwbakken supervisors, twee 22-jarige dames genaamd Amy en Kate, wilden zien of alle schoonmaakmiddelen die we moesten hebben, ook daadwerkelijk aanwezig waren. Maar eerst hadden ze een andere mededeling.

“Sam,” zei Kate, “jij krijgt een strike omdat je vanmorgen te laat was. Na je derde strike volgt er disciplinaire actie. Sorry dat ik van jou een voorbeeld maak, Sam.”

Onze collega Sam was vanochtend vijf minuten te laat geweest toen we om 8.50 uur moesten verzamelen bij de stacaravans waar we verbleven en nu, staand in het personeelsgebied voor de opslagtent met schoonmaakmiddelen, werd ze daarop gewezen ten overstaan van iedereen. Dat viel in slechte aarde en zo ontstond even later de eerste frictie in deze groep.

“Oké, iedereen: haal alles uit je emmers!”

Precies zoals de bewoners van een gevangenenkamp hun zakken moeten leggen. Ik dacht: wat doe ik hier? Ik had drie seizoenen gedaan – respectievelijk als campingmedewerker, als teamleider en als regiomanager – en dit was het begin van mijn vierde. Voor het eerst in mijn leven had ik het gevoel te oud te zijn voor mijn manier van leven – de werkvakanties, de reisjes, de heerlijke afwezigheid van een eigen woning met alle verplichtingen van dien. Ik was net Will Ferrell in de film Elf: een volwassene in een jeugdig klaslokaal.

 

* * *

Zo nu en dan arriveerden er nieuwe medewerkers, allemaal 19 of 20 jaar oud. Twintig jarigen zonder baardgroei die het mooiste decennium des levens nog voor zich hadden. Ze dronken, hadden lol en kwamen elke avond gezellig bij elkaar. Ik keek naar hen en zag mezelf. Ik zag ze zitten aan de witte tuintafels, die volledig waren gevuld met lege bierflesjes en volle asbakken; en precies zo zag ik mezelf zitten, in Kroatië, omgeven door harde muziek, de teamleider die iedere avond één of twee keer kwam vragen of we alsjeblieft wat stiller konden zijn.

Dat was toen; om één of andere reden kon ik er in het hier en nu geen onderdeel meer van uitmaken. Dit was onuitlegbaar omdat het supertoffe mensen waren die me van harte uitnodigden – het lag dan ook zeker niet aan hen, het lag heel duidelijk aan mij. De kids dronken terwijl ik aan mijn boek over de reis door de Amerika’s probeerde te werken, aan de schrijfcarrière die ik nastreefde. En natuurlijk kan dat samengaan met wederzijdse acceptatie – dat was het probleem niet.

Op een woensdag kreeg ik weer een stacaravan toegewezen om schoon te maken, maar mijn focus was er niet. Onder het aflappen van de muren en de douchecel dacht ik aan het hebben van een thuis, een eigen plek waar ik kon werken aan een schrijfcarrière. En de rest van de dag gonsde het steeds vaker door mijn hoofd: ‘Jongen, stop hiermee. Je werkvakantiefase is voorbij. Grow up and move on.’

En zo geschiedde.

 

* * *

Februari 2021.

Het besluit om te stoppen met werkvakanties was een gouden greep. Het dwong tot verandering; de gewoonte hield een mentale onrust gaande. Tja, de omschakeling was natuurlijk wel wat ongemakkelijk, zoals elke omschakeling aan gewenning onderhevig is. En hoe leg je het uit, dat het kopen van een huis – voor iedereen zo logisch – het equivalent is van geketend zijn? Dan maar een innerlijke strijd. Gelukkig heeft die gewenning inmiddels plaatsgevonden: ik schrijf dit aan mijn eigen eettafel, in mijn eigen basecamp, een buitenverblijf nabij de kust in het belachelijk goedkope Den Helder.

Als gevolg van die stap heb ik de afgelopen vijf jaar natuurlijk stukken minder gereisd. Mijn enige escapade was een voettocht van 2,5 maand door Groot-Brittannië. Voor de rest heb ik gewerkt. En het onwaarschijnlijke is gebeurd: mijn huidige baan voelt als een dermate warm bad dat ik voor het eerst in mijn leven zelfs een vast contract heb getekend. Zo zie je maar waar het bloed kruipen kan.

Ondertussen heb ik in die vijf jaar heel wat boekprojecten opgestart – reisboeken en romans. Sommige zijn niet verder gekomen dan een paar pagina’s, andere naderen hun voltooiing. De komende tijd hoop ik gemiddeld elke drie maanden een titel af te schrijven en uit te brengen, waaronder dan eindelijk het definitieve verhaal over de reis door de Amerika’s (titel: Expeditie Amerika). De eerste in die boekenstroom is echter In Venetië: C.I.C.

Gisteravond kreeg ik het manuscript terug van de eindredactrice. Ze vond het boek, een memoir, een heel andere leeservaring dan mijn vorige titels, die veel meer over een bepaald land gaan. ‘Ergens verfrissend,’ schreef ze, ‘maar ook extra beladen.’ Gelukkig heeft ze aan de hand van 149 opmerkingen (een absoluut record!) kunnen duiden waar de vele euvels zitten. Ik heb nog 10 dagen om die te verwerken en met een lezenswaardig boek voor de dag te komen. Komt goed.

De grote, overkoepelende vraag blijft natuurlijk: heb ik nu het alternatief gevonden voor de werkvakanties? Ligt dat alternatief voor een avontuurlijk, vrij leven nu werkelijk in een hypotheek en een vaste baan, in een huis met een 2e, (vooralsnog?) lege slaapkamer?

Weet je, misschien verhult het schrijven over werkvakanties en trektochten wel een verlangen naar een grootser leven. Dat zou heel goed kunnen, maar eigenlijk, als ik eerlijk ben, gaat het prima zo. Zolang ik content ben met het schrijven van een wandelverhaal over het Pieterpad – en/of een aankomend project in een ver land als Duitsland – hoor je mij niet klagen. Verhalen zijn immers overal te vinden – ver weg en (héél) dichtbij – en het najagen ervan geeft meer vrijheid en aanleiding tot avontuur dan welke baan in het buitenland ook, al was het maar mentaal.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.